Sprookjes uit 6A


Sprookjes uit 6A met ‘zevenmijlslaarzen’

 

De jongen met een paard

Er was eens een jongen met een paard. De jongen was Max. De twee waren altijd gelukkig. Tot dat er op een dag een paardenmoordenaar was.

Raven, het paard, was in gevaar. Ze moesten wel iets verzinnen om de moordenaar te stoppen en wel nu meteen. Eén ding hadden ze al: de zevenmijlslaarzen. Max bleef maar denken. Totdat hij op een dag het idee kreeg om vallen te maken. Die nacht legde hij een radio met paardengehinnik in de put. De paardenmoordenaar kwam kijken, maar hij zag niks. Toen kwam Raven, het supersnelle paard, en die duwde de paardenmoordenaar in de put. Max belde de boswachter. Zo werd de moordenaar opgepakt.

En toen kwam alles goed!

 

Warre

 

Klein Pinkje en de slechte tovenaar

 

Klein Pinkje mag naar het feestje van zijn vriend. Hij zit lekker te feesten, maar ineens komt een slechte tovenaar. Hij pakt de jarige en zegt: ,,Die is dik genoeg om mijn huisdier te zijn.’’ En dan gaat hij weg. Iedereen rent weg, behalve Klein Pinkje. Maar dan roept iemand: ,,Kijk, baby Pinkje is zo bang dat hij blijft staan!’’ En Klein Pinkje antwoordt: ,,Ik ga mijn vriend redden.’’ ,,HAHAHA!’’, lacht iedereen. ,,Je bent zo klein, dat gaat echt niet lukken!’’ Maar Klein Pinkje gaat naar het kasteel van de tovenaar. Hij ziet zijn vriend boven een kooi hangen waar draken in zitten. ,,O nee!’’, roept hij. De tovenaar hoort het. Toevallig heeft Klein Pinkje zijn zevenmijlslaarzen mee. Hij trekt ze aan en pakt zijn vriend, maar opeens pakt de tovenaar zijn staf. Maar Klein Pinkje is te snel. Hij pakt de staf en betovert de tovenaar. Dan gaat hij terug en daar zijn de vrienden en die zien dat Klein Pinkje de vriend heeft en ze klappen. Klein Pinkje heeft zijn vriend gered en dus kan het feestje weer doorgaan.

 

Saskia

 

De varkentjes en de dief

Er was eens een afgelegen dorpje in Amerika. Ze hadden er alleen maar varkentjes en daar leefden ze van. En er was maar een boer die varkentjes had. Dat wat James Pirate. Toen hij aan het wandelen was, had hij per ongeluk de deur van de stal van de varkentjes laten openstaan. De varkentjes ontsnapten en liepen op straat, Toen reed er toevallig een dief rond. Hij zag de varkentjes en het eerste wad hij deed was zijn vriend bellen. Die vriend kwam aangereden met een vrachtwagen en ze laadden samen de varkentjes in. Ze reden naar huis. Toen de boer thuis kwam, zag hij dat de varkentjes allemaal weg waren. Hij begon te zoeken en te zoeken maar hij vond zijn varkentjes niet. Nadat hij de politie had gebeld, stond de politie aan zijn deur. Ze onderzochten de stal en vonden een paar vingerafdrukken. De politie vond de dader in de databank via de vingerafdrukken, Ze kwamen te weten dat de dief het grootste strafblad ooit had. En de politie was ook bang. Maar de boer kreeg een idee: hij ging een houten reus maken en toevallig had hij de zevenmijlslaarzen nog staan. Die gebruikte hij dan als schoenen. Maar er was nog één probleem: de dorpelingen zaten zonder eten. Gelukkig was er een dorpje dichtbij die hun eten met hen deelden. Toen de boer klaar was met de reus zette hij die in de zevenmijlslaarzen. Hij monteerde er ook nog een motor aan de reus zodat hij kon stappen. Maar even was hij iets vergeten, Zijn varkentjes hadden allemaal een chip. Hij speurde de varkentjes ophad opgespeurd stuurde hij de reus erop af. Toen hij ging kijken zag hij de dief niet. Hij nam snel zijn varkentjes terug mee naar huis. Toen hij terug thuis kwam, waren alle mensen blij. Maar één lesje had hij wel geleerd: laat nooit de varkensstal open!

 

Robbe

 DE RATTENPLAAG

 

Er was eens een hele mooie stad vol liefde en vreugde. Iedereen was daar gelukkig. Maar op een dag ging het mis. Iemand die op de uitkijk stond , zag ineens iets een heleboel ratten. Diegene die op de uitkijk stond, riep en riep zo veel en zo hard als hij kon: ,, DE RATTENPLAAG komt!!!’’ Iedereen geraakte in paniek! Ze dachten dat ze dood gingen en niemand wou doodgaan. Speciale mensen met speciale krachten konden zien dat de ratten binnen een week in het dorp zouden aankomen. Ze wisten dat ze een plannen zouden hebben. Maar alle plannen waren onnozel en niet logisch. Maar één iemand in het dorp wist een plan maar niemand mocht het weten. En zo gingen de dagen voorbij. Tot de jongen wist dat hij het plan moest vertellen. Iedereen was geschrokken, want hij had de zevenmijlslaarzen. Iedereen dacht dat die stuk waren. De jongen zei ook dat hij met die laarzen de ratten plat ging stampen. De hele stad was blij. Maar de jongen was nog niet klaar. Hij zei ook: ,, Ik heb jullie hulp nodig. Jullie moeten in al jullie geweren rattenvergif steken en dan op de ratten schieten.“ Dus iedereen deed het. En zo kwamen we aan bij de laatste dag. Iedereen moest om 4 uur bij de grens staan. De klok tikte en tikte en tikte. Het was ineens 4 uur. En iedereen was er. En zo gingen ze in de aanval. Nu een dag of 4 waren alle ratten dood en iedereen was blij. De jongen met de zevenmijlslaarzen was de held!!!!!!!!! En zo gingen de dagen voorbij net zoals vroeger en niemand had geen geheimen voor elkaar!

EINDE

                                      Thomas

De berenschat

 

Er was eens honderd jaar geleden een Beertje. Die heette Duimpje. Hij ging spelen in het bos met zijn vriendjes. Duimpje had honing gezien en ging ernaartoe. Ze zeiden: ,,Duimpje blijf bij de groep!‘’ Maar Duimpje luisterde niet. Hij ging de honing halen. Ondertussen had één van de vrienden een grot gevonden. Daar blinkte iets. Toen Duimpje terug was gingen ze er heen. Duimpje was alleen maar bezig met zijn honig  . Toen ze er waren, zagen ze een raar dier, niet zomaar een dier. Heet was een krokodil met hele scherpe tanden. De vrienden renden weg, maar Duimpje niet. Hij was wel bang. Zo bang dat hij de honig op de krokodil smeet . De krokodil zei: ,,Roe koe ,roe koe !’’ En er kwam een vogel aan. Duimpje zag de laarzen, sprong in de laarzen en strooide honing op de vogel.  De vogel vond het lekker, dus hij vloog naar duimpje en pikte op zijn hoofd. Duimpje rende hard hij kon tot  zijn huis en de vrienden juichden . Ze waren trots, zo trots dat Duimpje de laarzen mocht houden. Sindsdien was Duimpje heel beroemd in de stad . Tien jaar later had hij twee kinderen : Saartje en Roosje . Ze werden groot en gelukkig, de vrienden ook. En ze leefden nog lang en gelukkig .

 

Yentel

Het elfenbos

Er was eens een elfje, Kato.  Ze was heel enthousiast! Maar niet iedereen vond dat leuk… Kato was op een dag een plakboek aan het maken. Dat deed ze bijna altijd. Maar nu maakte ze het over de Elfenparade. Dat is het feest dat om de 12 jaar werd georganiseerd en op die dag was ze jarig!! Het was de eerste keer dat Kato de Elfenparade meemaakten. Ze was zo blij!! Er ging op het feest ook vuurwerk zijn. En dj’s!! De max!!

Even later die avond was het feest. Kato vond het heel leuk. Ze was luidkeels aan het meezingen met de liedjes! Toen werd er vuurwerk afgestoken. Zo hoog! Zo mooi! Maar op die dag was er natuurlijk ook gevaar. Het gevaar dat de trollen hun hoorden. Dus nadat het feest gedaan was, zochten ze elk jaar opnieuw een andere plek om weer 12 jaar te kunnen blijven. Maar dit jaar gingen ze niet verhuizen.  De Elfenkoning lag in het ziekenhuis. Ze konden niet weg zonder hem. Want dan zouden mensen hun opeten! Kato was aan het wenen, omdat haar vader de elfenkoning was. En die lag nu in het ziekenhuis. Hij lag nog maar pas in het ziekenhuis. Hij was aangevallen geweest… door een trol. Kato had nog nooit een trol gezien. Ze wou die eigenlijk weleens zien. Ze volgende ochtend zette Kato haar wekker uit.  Ze hoorde de bel. Een elfensoldaat stond aan de deur. Hij kwam melden dat de vader van Kato was overleden. Kato barstte in tranen uit. Ze smeet de deur dicht. Kato moest naar de trollen. Ze moest weten welke lompe trol haar vader had vermoord. Kato liep naar buiten, stampte de soldaat omver en hoorde nog vaag: ‘Waar ga jij naartoe?’ Kato dacht in haar hoofd: ‘Wat een stom jochie!’ Maar even later schuilde Kato achter een rots. Ze was heel moe. Maar toen dacht ze dat ze nooit lief was tegen iemand, alleen tegen haar vader. Maar die was er nu niet meer. Kato rende verder naar de Mensenwereld. Ze had geen eten mee. Wat moest ze nu doen? Ze liep naar een man. Die man was hout aan het kappen. Dat had Kato nog nooit gezien. Maar er was ook een heel mooi meisje bij. De houthakker riep heel hard: ‘Femke!!!!’ Het meisje kwam aangehuppeld. De meneer zei: ’Wat ga jij doen??’ Femke antwoordde: ’Ik ga naar Max.’  De houthakker antwoordde: ’Nee! Dat ga jij niet doen!!!!!’ Het meisje zei: ‘Oke, ik ga naar melkboer Jeroen. Ik kom thuis met een vat vol melk. Het zal maar 1 uurtje duren.’ De man zei eindelijk: ’Je leert misschien nog wat van hem.’ Maar Femke was al weg. Kato volgde haar. Femke ging niet naar melkboer Jeroen, maar naar Max. Want hij verkocht sinds kort ook melk. Maar dat wist Femke haar stiefvader natuurlijk niet. Ze waren een koppel!!!! Kato geloofde haar ogen niet. Waarom loog Femke? Femke kreeg een vat melk een keerde terug. Op de terugweg sprak Kato Femke aan. Ze legde alles uit. De houthakker was Femke haar stiefvader. Die was keistreng en nooit vriendelijk. Het stiefvader zou het ook nooit goed vinden dat ze verliefd was. Kato had een idee. Toen Femke ging slapen, nam ze de zevenmijlslaarzen en ging ze naar de liefde van haar leven. Kato had thuis nog een paar laarzen staan. Ze keerden terug naar Elfenstad. Elke wachter was haar aan het zoeken. Ze zei tegen de kok dat hij moest zeggen tegen de wachters dat de prinses er was.

 

Iedereen leefden nog lang en gelukkig!!!!!!!!!!!

Lisse

RIK EN DE HEKS

Elke dag gaan Rik en zijn vrienden voetballen op het grasplein.

Ook elke dag vliegt er een heks over het grasplein. Er vliegt ook altijd een bal per ongeluk op haar als ze over het grasplein vliegt. Op de duur wordt de heks het beu. Het is ook altijd Rik die de bal tegen de heks trapt. De heks wil er iets aan doen, maar wat dan? Ze zegt: ,,Als dat nog één keer gebeurt, dan hang je, Rik!” Rik zegt: ,,Het zal niet meer gebeuren.” Het wordt avond. Iedereen gaat naar huis. De volgende dag gaan ze om 9 uur naar het grasplein. De heks komt weer overgevlogen om boodschappen te doen. Rik trapt weer tegen de heks. Nu hangt hij echt. De heks valt naar beneden, recht op haar lange neus. Iedereen giechelt. Ze heeft ook een bloedneus. De heks staat recht en pakt Rik mee. Zijn vrienden lopen achter de heks aan, maar ze is al te ver weg. De volgende dag komt de heks weer. De jongens volgen haar naar haar kasteel. Ze zien Rik in een kooi zitten en iemand heeft ook de bal mee. Vorige keer konden ze de heks niet volgen. Maar nu wel, want ze hebben zevenmijlslaarzen aan. De heks ziet de jongens naar Rik gaan. Maar de jongens zien ook de heks. Ze staan oog in oog. Een jongen smijt de bal tegen het gezicht van de heks. Die valt van haar bezem op de grond, dood! Ze bevrijden Rik en gingen weg.

EN LEEFDEN NOG LANG EN GELUKKIG

Jasper

De speciale tijger

 

Er was eens een tijger die op school werd gepest door zijn strepen. Hij had namelijk blauw met bruine strepen. Dat vonden de andere tijgers niet mooi. Thuis vertelde hij zijn verhaal aan zijn ouders. Maar zij konden er niks aan doen. Midden in de nacht werd hij wakker. Hij kon niet meer slapen. Hij dacht altijd aan school aan dat hij gepest werd. Hij ging naar buiten, want zijn raam stond op een kiertje open. Buiten ging hij wandelen

Een beetje later!

Het was 6 uur ’s morgens. Mama- en papatijger werden wakker. Ze gingen hun zoon wakker maken voor school. Ze kwamen de kamer binnen, maar hij was er niet. Ze waren ongerust.

Ondertussen bij hun zoon!

De tijger lag te slapen op een berg. Ineens kwam er iemand op de berg gestapt. Het was een toverfee. De toverfee noemde Roosje. Roosje maakte de tijger wakker. De tijger schrok!!! ,,Wat doe jij hier?’’, vroeg Roosje. Roosje was knap en mooi. De tijger werd op Roosje verliefd. Roosje en tijger werden verliefd. De tijger wou Roosje kussen, maar Roosje toverde de tijger om in een konijn. Het was een konijn met het geluid van een tijger . Roosje viel flauw van schrik. Het konijn nam de zevenmijlslaarzen van Roosje en liep naar huis. De ouders wisten niet wie hij was. Ze gingen samen eten.

EN ZE LEEFDEN NOG LANG EN GELUKKIG!!!

 

Fran

 

Het Doolhof

 

Er was eens een jongen, Henk..

Hij vroeg aan zijn mama of hij naar het coolste, gevaarlijkste doolhof mocht gaan.

Mama zei: “Oké, maar dan moet je wel de afwas doen.” Henk deed de afwas en mocht naar het doolhof. Henk vroeg wel zijn beste vriend Hank om mee te gaan. Henk en Hank gingen naar het doolhof. Ze moesten wel betalen. Henk en Hank zaten in het doolhof en kwamen erachter dat het een dodelijk doolhof was. Het werd gebruikt om kinderen te laten testen hoe slim ze zijn en hoe slimmer ze waren hoe beter. Ze zochten een medicijn om een ziekte te genezen, genaamd blablu. Henk en Hank zochten een uitweg, maar het doolhof was te groot. Henk zei: “Kijk Hank, een andere weg, kom snel!” Er waren zevenmijlslaarzen, maar toen kwamen er grote dodelijke spinnen die hun wou opeten.

Ze renden vlug weg. Toen vonden ze een superdrankje, waarmee ze super hoog konden springen en ontsnapten toen uit het doolhof.

Thieben

 

Het mijlsleger

Er was eens een ondoordringbaar fort met 2 gigantische legers van skeletten die op Aarde de baas wouden spelen. Maar op Aarde was er al een veldslag voor de planeet. Die werd gewonnen door het Mijlsleger (ze hadden mijlslaarzen), dat was de mijlsrobot. Het team had een ondergrondse bunker met een oplaadcentrum, een veldhospitaal , een wagenhangar,… Toen er vernomen werd dat er weer iemand de baas wou spelen, moest het team terug een veldslag voor Aarde meemaken.

Eerst maakten ze een plan. Toen de dag was aangebroken, was al twee vierde van de Aarde overgenomen. Het Mijlsleger had een nieuw wapen van de skeletten. Bomenwerpers en luchtbasissen waren heel gevaarlijk. De enigste manier was de vertrouwde mijsraketlaarzen.

De luchtbasissen waren goed beveiligd, want als je te dichtbij kwam, werd je genadeloos neergeknald. Het mijlsleger had 2 maanden nodig voor het megawapen klaar was. Zo konden ze een luchtbasis bouwen. Het wapen was klaar en ze probeerden het meteen uit. Raak! Toen het schip was neergestort, hakte de mijlsrobot het hoofd van de skelettenbaas af. De grondbasis was al ontploft door de rest van  het leger. Eind goed, al goed.

Victor

 

 

Mier 5697

Ooit was er een mier met de naam ‘Mier 5697’. Zijn kolonie was arm en had bijna geen voedsel. Dus de koningin zond alle mieren op pad voor voedsel. Dit is het verhaal van mier 5697.

Mier 5697 moest ook op pad en hij was alleen, want de rest wou met de sterke bekendere mieren werken. Dus hij ging op pad, maar daarbuiten waren veel gevaren zoals spinnen en andere grotere insecten. Vele mieren sneuvelden, maar Mier 5697 bleef doorzetten zelfs toen een ander insect een van zijn poten afbeet. Toen zag hij een hyena van een hertenkarkas eten en hij dacht: “Dit is mijn kans om eten mee te brengen.” Maar hij was al superver van de kolonie. Toen zag hij zevenmijlslaarzen staan. Maar een slapende miereneter lag in de weg en het begon te regenen. Daardoor werd de miereneter wakker. Het was de beruchte miereneter Babyman (spannend muziekje). Babyman zag Mier 5697 en stormde op hem af. Mier 5697 sprong vlug opzij. Babyman vloog tegen een boom en was bewusteloos, Mier 5697 deed de zevenmijlslaarzen aan en bracht één kilo hertenvlees mee naar de kolonie. Dit was het verhaal van Mier 5697.

 

Jesse

 

De boze feeënkoning                                                                                                                               Heel lang geleden was er is een meisje genaamd Elsa. Elsa woonde in een klein dorpje genaamd Feeëndorp. Elsa was heel populair op school en had heel veel vrienden. Iedereen vond haar leuk, behalve Anna. Anna’s ouders waren gestorven tijdens Trollenoorlog 2. Ze woonde sinds kort in een pleeggezin. Ze had geen enkele vriend op school. Niemand vond haar leuk, omdat ze zich veel bezighield met wetenschap. Iedereen in Feeëndorp had krachten, iedereen, behalve Anna. Anna’s ouders waren mensen, daardoor had ze geen krachten. Niemand in het dorp wou met haar spelen. Anna’s uitvindingen klopten meestal niet, ze had voorspeld dat er morgen een leger van trollen op ons dorp zou afkomen. Maar niemand geloofde haar.

De volgende dag…

Vroeg in de ochtend hoorden de bewoners van Feeëndorp gebonk aan hun deur. Het waren de trollen van Trollenstad!

Niemand van de inwoners van het dorp durfde hun deur open te maken.  Anna’s voorspeling klopte, vandaag zouden de trollen ons dorp aanvallen!

De inwoners van Feeëndorp wisten  niet wat ze moesten doen. Er kwamen reuzentrollen op hun dorp af en de inwoners waren helemaal niet klaar om te vechten. De inwoners besloten hun toverstokje te gaan pakken en toch mee te vechten.

Iedereen besloot dat, behalve Anna. Anna had helemaal geen krachten. Ze besloot zich te verstoppen onder haar bed. Ze hoorde luide voetstappen op de gang.  En plots kwam de trol haar kamer binnen. Hij haalde alles overhoop.

En hij vond uiteindelijk Anna. De trol pakte Anna vast en sleepte haar mee naar Trollenstad. Elsa had alles gezien en besloot de trol achterna te gaan. De trol kwam in Trollenstad aan en stopte Anna in een kookpot. Elsa vroeg waarom hij haar wou opeten. De trol zei dat hij mooi wou zijn en hij vond Anna zo mooi. Als hij niet mooi kon zijn, zou hij Anna doden. Elsa besloot te ruilen. Haar toverstokje tegen Anna’s leven. De trol ging ermee akkoord en hij ruilde. Nu konden ze terug naar Feeëndorp gaan.

Maar hoe zouden ze daar komen? Elsa zag een paar zevenmijlslaarzen staan en gebruikte ze om naar Feeëndorp te gaan.

Einde

Alice

 

De tweelingen

Lang, lang, lang, lang geleden waren er eens 4 tweelingen. Twee van de vier tweelingen waren lief en die noemden Lotje en Lobke. Ze waren zo lief dat ze een heks gingen helpen. Maar we gaan terug naar de tweelingen. Dus twee van de tweelingen waren lief, maar twee van de tweelingen waren stout en die noemden Milou en Lilou. Nu pas gaan we naar het verhaal. Lotje en Lobke waren aan het wandelen in het park. Even later zagen ze hun zussen. Milou en Lilou, de diva’s van de school. Het waren echte pestkoppen. ‘Hoe kom je er zelfs bij? Je eigen zussen pesten?’ Lotje en Lobke waren heel kwaad op hun, dus gingen ze verder. Lotje en Lobke hoorden nog iets achter hun rug zeggen. Wat een stommen zussen! En ze gingen verder. Toen kwamen ze de vriendinnen van Lilou en Milou tegen en die zeiden: “Aah, wie we daar hebben? De trutzussen van onze besties. Gelukkig zijn ze niet zoals jullie.“ Toen zeiden Lotje en Lobke :”Oké  hou jullie bek toch!“ Milou en Lilou hun vriendinnen zeiden: “Aah! Proberen we stoer te doen? Ik geef jullie één tip: jullie kunnen er niks van!” En toen gingen ze weg. Lotje en Lobke waren kwaad, zo kwaad dat ze begonnen heel luid te schelden en toen hoorden de zevenmijlslaarzen het. Toen waren ze ook aan het vloeken over de zevenmijlslaarzen. Die waren dus in aantocht. Want als men over de laarzen scheldde, dan betekent het dat je stout bent geweest. Lotje en Lobke zeiden: ”We zijn helemaal niet stout geweest.” De zevenmijlslaarzen zeiden: ”Toch wel, want jullie hebben gescholden!” Lotje en Lobke zeiden:” Sorry, we zullen het nooit meer doen.” Maar ze moesten toch in de zevenmijlslaarzen. Ze waren er nog nooit in geweest. Maar ze hadden al veel verhalen gehoor. Dat het pijn deed en dat je ze nooit uitkreeg, enzovoort. Ze waren een beetje bang. Maar ze deden het allebei. Samen konden ze alles aan. Ze stapten erin. Ze vonden het wel zwaar, maar heel leuk. Ze liepen heel het land door. Ze waren tikkertje aan het spelen. Met die laarzen konden ze namelijk heel snel lopen. Dat was heel leuk! Maar Milou en Lilou waren ook nog in het park met hun vriendinnen. Ze hadden schrik van Lotje en Lobke, Lotje en Lobke vonden dat fijn. Zo fijn dat zij nu eens bang van hun waren. Want meestal was het omgekeerd. Ze werden vriendinnen. Heel goede vriendinnen!

Happy end!

 

Lisa